Payday Loans

Zoek een boek



Mijn winkelwagen


De Groene Waterman. Een huis voor boeken, cultuur en ontmoeting

 
17 maart 2017
Filosofen: de kunstenaars onder de wetenschappers
Verslag debat naar aanleiding van De Moord op de Kunst van Thomas Crombez

Door Sjaak Oostenrijk, stagiair MA Taal- en Letterkunde: Nederlands, UA

9789082571202_1 “De moord op de kunst is natuurlijk een heel sensationalistische titel.” Kunstfilosoof Thomas Crombez grijnst in de richting van het in groten getale opgedraafde publiek terwijl hij het geplande debat aanzwengelt. De titel van zijn boek over de historische relatie tussen filosofie en kunst blijkt een geparafraseerde uitspraak van de Franse filosoof Alain Badiou. Een zin die treffend aangeeft hoe verhit de relatie tussen deze twee disciplines kan raken. Die relatie heeft dan ook grote schommelingen vertoond door de geschiedenis heen, zo had Crombez even daarvoor al kort uiteengezet. Zo verwierp Plato alle autonome kunst, als misleidend schaduwspel dat de mens weglokte van beschouwing en beschaving, weg van de superieure ratio en filosofie bovenal. Tijdens de romantiek stond daarentegen eerder de kunst in bovengeschikt aanzien, omwille van de intuïtieve gift van het genie die de sluier van een ongrijpbare, transcendentale en daarmee extra betekenisvolle waarheid kon oplichten. Een middenweg tussen deze contrasterende zienswijzen wordt vertegenwoordigd door Aristoteles, die instemde met de inferioriteit van de kunst ten opzichte van de filosofie op grond van de logica, maar daarbij aantekende dat dit niet erg was. Men moest immers geen waarheid van de kunst verwachten, maar troost. Daar was het bij uitstek geschikt voor. In De moord op de kunst laat Crombez nog veel meer visies op deze kwestie de revue passeren; hij heeft het boek geschreven als historische inleiding op de kunstfilosofie. Terwijl hij dit verkondigt, zie ik Crombez een verwachtingsvolle blik werpen op het drietal waarmee hij op het punt staat in debat te treden. Dat er ons meer inzichten over de verhouding kunst-filosofie tegemoet gaan treden is zo zeker als dat zwembadgasten nat worden.

 

“De kunst is al vaker dood verklaard, zeker de schilderkunst.” photoFrank Maet, kunst- en techniekfilosoof (LUCA Gent) bijt het spits af en plaatst de bijeenkomst direct in perspectief. Het is net een rechtszaak, stelt hij geamuseerd, met Crombez als openbaar aanklager en hijzelf als medeplichtige van de moord op de kunst. Ter verdediging laat hij ene G.W.F. Hegel opdraven. Deze stelt dat het kwaad allang geschied was. Waar de Griekse beeldhouwkunst de optische verhouding nog liet primeren, ging de inhoud al snel daarna primeren boven de vorm. En daarmee stierf de kunst, werd het verkapte filosofie. In de moderniteit en met name in de vorige eeuw werd de kunst ook nog eens autonoom, zo vervolgt Maet. Dat veroordeelde het tot een Sisyfustaak van zelflegitimering. Iets wat op den duur onhoudbaar wordt; je kunt niet oneindig veel verantwoording bedenken. Wie volledig onafhankelijk is, is voor niemand onmisbaar. En op een losse zeul kan niets steunen. Zonder inbedding in een religieus kader kan de kunst alleen eindigen als dode letter, aldus Hegel. Daarom moeten we het begrip ‘kunst’ van een nieuwe invulling voorzien, stelt Maet. Zo kunnen we een nieuw evenwicht tussen inhoud en vorm vinden. De opvatting van kunst moet dus anders, in ieder geval niet zo autonoom meer. Kunst staat noch romantisch boven de betekenis, noch didactisch eronder: daartussenin moet het verrijken. Hoe exact weet Maet niet. Maar hij is er wel zeker van dat de kunst nog niet daadwerkelijk gestorven is: de kunst wordt momenteel gewurgd terwijl het palliatieve zorg ontvangt.

Reagerend erik-hagoorthaalt Erik Hagoort, beeldend kunstenaar en docent aan de AKV St. Joost te Breda, het begrip ‘hernemen’ aan. Zoals een dirigent op eigen, eminente wijze een muziekstuk interpreteert en instudeert met zijn of haar orkest, zo moet de kunst hernomen worden, betoogt hij. Dit betreft geen nabootsing als bij Plato; hernemen is niet degeneratief. Nee, in lijn met het denken van Samuel IJsseling en Ilse Bulhof is het veeleer het opnieuw inpassen te midden van andere hernemingen, in de nieuwe status quo die het heden is. Omdat mensen in de geschiedenis komen en gaan, is er in elk scenario onvermijdelijk variatie, benadrukt Hagoort. Nabootsing is in feite onmogelijk. Tevens is er onvermijdelijk improvisatie, wat nog meer verandering katalyseert. Hernemen is dus ook verplaatsing. Zo is de relatie kunst-filosofie in zijn geheel erg relatief, vanwaar we haar ontspannener zouden moeten bejegenen. Een competitie in zingeving tussen beide disciplines vindt Hagoort dan ook onzinnig. Sowieso wil hij niet van twee gescheiden domeinen spreken. De kunstenaar-filosoof stelt vervolgens de retorische vraag of zijn stellingname van eclecticisme getuigt. Je zou zeggen: ja, behoorlijk. Evengoed van relativisme. Wellicht is het door deze neiging tot het dolen en tegelijkertijd nemen van reserves dat Hagoort af en toe klinkt als een mysticus op vakantie. Ik heb zijn relaas hier dan ook coherenter gepresenteerd dan het in feite was, mogelijke gevolgtrekkingen en kruisverbanden uit schriftelijke overwegingen ingepast. Het kan zijn dat ik zijn bijdrage daarmee van zijn waarde heb ontdaan. Dat ik de kunst uit zijn ‘filosofiekunst’ heb gehaald. Hopelijk zegt het daarmee niet minder of geheel iets anders, maar ongeveer hetzelfde, alleen op een andere manier. Ik meende dat ik niet anders kon uit schriftelijke, verslaggevende overwegingen.

Marlies Marlies_De_MunckDe Munck, muziekfilosoof van de Universiteit Antwerpen, grijpt na het krijgen van het woord direct terug op de klassieke onderverdeling in drie soorten kunstbeschouwingen waar ook Alain Badiou zich van bedient: de didactiek van Plato, de romantiek en het Aristoteliaanse classicisme ertussenin convergeren alle drie, op drie verschillende manieren, naar hetzelfde punt, stelt ze. Met andere woorden: die onderverdeling mag elegant zijn, maar zo eenduidig contrasterend waren deze stromingen niet wanneer het om de relatie tussen kunst en filosofie gaat. Toch is die relatie wel degelijk problematisch, voegt ze er nog snel aan toe. Ter illustratie neemt ze ons mee haar vakgebied in met de vraag: ‘wat is het ontologische statuut van muziek?’ Is dat het idee, de partituur, de uitvoering of wellicht de opname? In de muziekfilosofie is dat een grote, langlopende discussie, maar de muziek zelf, de kunst dus, is eigenlijk nooit met deze vraag bezig. Dat toont volgens De Munck aan dat die vraag in de kern de plank misslaat. Blijkbaar mist de filosofie nogal gemakkelijk de essentie van de kunst. De Amerikaanse filosoof Arthur Danto, zo vervolgt De Munck, stelt dat de wijsbegeerte de kunst onteigend, disenfranchised, heeft. Volgens Danto heeft de filosofie almaar getracht de status van kunst te ondermijnen, het te diskwalificeren als een poppenkast zonder waarachtige betekenis. Waarheid zou er niet te vinden zijn. Terwijl dat is waar het allemaal om draait. Net als Maet haalt De Munck hierop Hegel van stal, volgens wie de kunst filosofie geworden was. Nog een paar stappen en de opheffing is een feit, aldus de Duitse wijsgeer. Danto zit op dezelfde lijn. Het vermaarde urinoir van dadaïst Marcel Duchamp staat voor hem symbool voor de zwanenzang van de kunst. Het was teruggebracht tot conceptualisme, tot één mager idee en niets meer. Daarmee was het filosofie geworden. Zeer karige nog wel. Plato, die de logos ook in de muziek wou terug horen, gezien het anders te zinnelijk, te lichamelijk zou zijn, had ten langen leste zijn zin gekregen.

Nu zijn er in de geschiedenis eerder zulke offensieven van de filosofie geweest, weidt De Munck uit. Ter verdediging poogde de kunst steeds iets rigoureus: het trachtte onder het woord in het algemeen uit te komen. In de negentiende eeuw leidde dit bijvoorbeeld tot de absolute muziek. Muziek zonder zang, dus zonder inhoudelijke denotatie. Instrumentale stukken van Mozart en Bach zijn onder invloed van deze stroming als zijnde meesterlijk gecanoniseerd. De silencio, het stil zijn tijdens het luisteren naar muziek, deed zijn intrede en muzikanten kregen diep ontzag voor de partituur. Wat daarin stond, daar mocht niet zomaar van afgeweken worden. Improvisatie werd allengs zeldzamer. Voor De Munck is de absolute muziek meer dan een krachtige afwending van de kritiek van de filosofie. Ze omschrijft deze ontwikkeling als de emancipatie van de muziek. Die werd nu als zeer betekenisvol ervaren zonder dat daar het woord, zonder dat daar logos aan te pas hoefde te komen. Bovendien was de absolute muziek onafhankelijk. Het hoefde niet meer in het kader van bijvoorbeeld geloofsbelijdenis of hoffelijke statusetalering te staan of pedagogische doeleinden te ondersteunen. De muziek had iets bereikt waar volgens De Munck alle kunstvormen uiteindelijk naar streven. Iets wat overigens uitstekend in te bedden valt in Badious romantische kunstopvatting, zo koppelt ze terug. De absolute muziek valt immers goed te rijmen met een verheerlijking van de onuitsprekelijkheid, met bovenzinnelijke macht, mystiek.

Maarhqdefault vond De Munck het klassieke drieledige schema van didaktiek, classicisme en romantiek niet te kort door de bocht? Zo vraag ik me op dit punt van haar bezielde redevoering af. Alsof ze mijn gedachten doorgespeeld krijgt, haalt ze de onderverdeling in kwestie direct boven tafel, om haar daar pardoes weer af te schuiven: te marxistisch. Gelukkig voegde Badiou blijkbaar nog een vierde optie toe aan de klassieke driedeling in de kunstbejegening. Een mogelijkheid waarin de kunst een eigen, immanente waarheidscreatie kent. Los van de filosofie, van de wetenschap, maar op een andere manier dan de ongrijpbaarheidverheerlijking van de romantiek. Het betreft een kunstopvatting meer in lijn met de perceptie van de artiesten. Het gaat dan ook überhaupt niet om een grotere, transcendente waarheid. In een proces van artificiële configuratie scheppen kunstenaars binnen hun genre gezamenlijk beetje bij beetje een kunstvormspecifieke waarheid. Een eigen referentiekader, een eigen speelruimte. Zo is in de muziek de tonaliteit stukje na stukje tot stand gekomen. Op een gegeven moment was men op het gebied van de tonaliteit uitontdekt, waarna men overstapte naar configuratie in andere gebieden van de muziek. Bij deze vierde zienswijze staat de kunstvorm dus centraal en op zichzelf, terwijl de filosofie het toch goed kan begrijpen. Dit verschilt dus van het heimelijk onkunstzinnige autonomisme, dat correcter omschreven kan worden als een gijzeling door de filosofie, als schijnautonome valkuil in de emancipatie van een kunstvorm dus. Voor een intrinsieke samenwerking tussen muziek en de wijsbegeerte, laat Badiou nochtans geen ruimte, tekent De Munck aan bij haar vaststelling dat een geëmancipeerde kunstvorm losstaat van maar te begrijpen is door de filosofie. Toch bestaat er zoiets, impliceert ze vervolgens. Want de absolute muziek was uiteindelijk ook een idee. Weliswaar een idee uit de romantiek, maar dan nog: een idee. Een idee dat daarenboven vanzelf gegroeid was, deels vanuit filosofisch denken. De filosofie vervulde indertijd stomweg een bescheidenere rol dan de kunst, lijkt ze te willen zeggen. En zag dier subjectieve inhoud vanuit die eerder onderliggende positie derhalve makkelijker als waardevol. De emancipatoire absolute muziek is dus, vermits het ten dele filosofisch is gevoed doch spontaan is ontstaan, een gevolg van intrinsieke samenwerking tussen kunst en filosofie geweest, besluit De Munck verzoenend.

Na een korte bezinkingsstilte vraagt Thomas Crombez zich generaliserenddownload luidop af hoe men zich tot de kunst- en filosofische traditie dient te verhouden. Die is immers niet gebaseerd op een uitgebalanceerde, objectieve overlevering. Helpt de filosofie de kunst überhaupt te emanciperen, of is er wel degelijk sprake van een tweestrijd? Frank Maet reageert dat er inmiddels gelukkig een groot bewustzijn is ontstaan over de veel grotere verscheidenheid in en complexiteit van het kunstzinnige en (kunst)filosofische verleden. Marlies De Munck beantwoordt op haar beurt Crombez’ tweede vraag: nee, de filosofie helpt de kunst niet direct te emanciperen. In lijn met wat ze even daarvoor uiteen had gezet, stelt ze dat het één niet van het ander dient te emanciperen, maar dat de kunst in spontane symbiose met de wijsbegeerte tot een gelijktrekking moet zien te geraken. Erik Hagoort vertelt vervolgens over de Senegalees-Malinese traditie van rondtrekkende wijzen, die redeneren vanuit zeer praktische vragen. Het is een denken op basis van herinnering en orale traditie. Heel anders dan de Westerse orde van filosofische standaardwerken. Maar juist dat contrast zorgt ervoor dat je een brede blik behoudt.

Crombez besluit hierop prompt heel het debat in twijfel te stellen: misschien is de onderverdeling van kunst en filosofie wel artificieel? Jean-Jacques Rousseau was ook componist, Wagner en Nietzsche hielpen elkaar. Ik betrap mezelf erop dat ik onbewust ‘ja’ ben beginnen te knikken. Zelf zie ik wetenschap en kunst als pseudo-diametraal binnen eenzelfde continuüm: dat van de uitgebreidere informatieverwerking dan wel van de menselijke pogingen tot werkelijkheidsduiding. Aan de ene zijde staan in dat continuüm de harde, concrete, exacte, empirische natuurwetenschappen, waar ratio en objectiviteit de klok slaan, aan de andere vind je de ongrijpbare, abstracte, suggestieve, gevoelsmatige subjectiviteit van de kunsten. De menswetenschappen zitten tussen beiden in. En van de geesteswetenschappen zit de filosofie mijns inziens nog het dichtst bij de kunst. Hoe de vier filosofen deze avond op het podium op elkaar inhaakten, kon ik puur op basis van mijn rede dan ook volstrekt niet plaatsen. Onnavolgbaar maar zo vaardig en vol onderling begrip. De momenten waarop de vier filosofen zich deze avond niet meteen logisch uitten volgens de eisen van de logica, voelden nochtans geen moment minder logisch. Ze wisten de sluier van een ongrijpbare waarheid op te lichten, om het heel romantisch te verwoorden.

 

Filosofentumblr_ms5eipICwn1rhb9f5o1_1280 doen me wel vaker aan mystici of orakels denken. Mensen die zowel diepgang en richting bieden als verbreding en verwondering. Wijsgeren zijn wetenschappers en kunstenaars ineen. De harde wetenschap zie ik als de consoliderende, sturende factor in de gemeenschappelijke ordening van de prikkels die de realiteit ons biedt. Het biedt sluitende verklaringen, vergaande verdieping. De kunst op haar beurt is de deviërende factor, die wijst op de veelvoud aan mogelijkheden, aan richtingen, aan interpretaties. Het is de factor die ons referentiekader verwijdt, creativiteit bevordert en zo verandering faciliteert. Op deze manier zijn de wetenschap en de kunst even essentieel in onze epistemische werkelijkheid. Wetenschap stuurt ons verticale denken, de kunst ons horizontale. De filosofie teert hevig op beide strategieën. Frank Maet reageert op Crombez’ vraagstuk van de mogelijk artificiële onderverdeling van kunst en filosofie met dat er tamelijk veel voorbeelden zijn van kunstenaar-filosofen, maar dat die vaak ook zelf het onderscheid maken tussen beide. Toch lijkt er een correlatie tussen de twee takken van sport te zijn. Dat werkt de indruk van enige symbiose. Een mens kan zich natuurlijk vrij eenvoudig een stukje verplaatsen op het continuüm tussen wetenschap en kunst, klinkt het in mijn hoofd. Hagoort, zelf kunstenaar-filosoof, zette zich eerder in het debat al af tegen de desbetreffende tweedeling. Nu repliceert hij met het in herinnering roepen van hoeveel spectra en stromingen er binnen de filosofie alleen al bestaan. Hoeveel contexten je alleen binnen de wijsbegeerte al kunt betreden. “Disciplines”, haakt Maet in. Dat zijn technieken. Kunst en wetenschap zijn historische formules, vloeibare vormingsprocessen! Dit geldt net zo goed voor de filosofie als voor de kunst, aldus de kunst- en techniekfilosoof. Inderdaad, denk ik: kunst is geen pure deviatie en wetenschap geen pure consolidatie. De absolute uiteinden van continua zijn altijd leeg. Zoals de filosofie vrij ver richting de kunst te plaatsen valt, zit bijvoorbeeld de literatuur vrij dichtbij de geesteswetenschappen. In de kunst zijn nog zat spelregels, tradities, afbakeningen. En ook de relativiteitstheorie is een theorie. En goeddeels een abstractie. Een continuüm bestaat bij de gratie van haar betrekkelijkheid. Marlies De Munck besluit vervolgens de tendens van blikverruiming te doorbreken. Ja, zegt ze, aan het oppervlak is er veel vruchtbare samenwerking tussen kunst en wijsbegeerte. Maar dieper net zo goed, omdat beide disciplines eenzelfde paradigma delen. Me bevestigd voelend veer ik op. Opnieuw haalt De Munck Danto erbij. Die stelt, zo licht ze toe, dat de filosofie de kunst monddood heeft gemaakt door het te verbannen naar het autonomisme. Of je maakt als kunstenaar conceptuele ideeënkunst, of het is autonomistisch en zegt daarmee zogenaamd niets meer over de werkelijkheid. Hetzelfde gebeurt volgens De Munck nu met de filosofie door toedoen van de exacte wetenschappen. Om haar hierin aan te vullen: de geesteswetenschappen moeten meer en meer duiden in exacte termen, kwantificeerbaar, waarneembaar. Anders mag het er ook zijn, maar dan liever niet onder de noemer ‘wetenschap’. Zoals de wetenschap ten tijde van de romantiek een wat zwakkere positie bekleedde, zo neemt zij heden ten dage een heel sterke positie in, bedenk ik me. De zachtere academische domeinen komen dientengevolge onder druk te staan. En in de kunsten voelt men door ditzelfde verzwaarde doorwegen van de exacte kant van het intensieve kennisverwerkingscontinuüm een druk om gerichtere, ijkendere inhoud na te streven. Om directer, concreter iets te zeggen over de wereld. Waardoor deze kunst regelmatig bijna filosofie wordt. Gelukkig is ook deze trend niet zo alomvattend dat alles en iedereen er constant door meegesleurd wordt. De wereld is weerbarstig en veelvormig. Deze avond hebben we dan ook zachte wetenschap in haar volle glorie kunnen bewonderen, met bij vlagen virtuoos inhaken door de verschillende wijsgeren op het kelderpodium. We hebben een debat bijgewoond waarin vragen en verwondering net zo waardevol werd geacht als het poneren van verklaringen. Waarin gefilosofeerd werd zoals je dat mag verwachten van kunstfilosofen: dan weer gericht verdiepend, dan weer artistiek verstrooiend. Daarmee zijn beide niveaus van de golfbeweging die in de geschiedenis van de kunstfilosofie is waar te nemen meteen heel aardig gerepresenteerd. De Moord op de Kunst had dan ook moeilijk veel treffender vertegenwoordigd kunnen worden in dit debat. Thomas Crombez mag tevreden zijn.

 

Bemachtig uw exemplaar van De Moord op de Kunst hier!

De debatavond werd georganiseerd in samenwerking met uitgeverij Letterwerk.




 
Openingsuren
van maandag t.e.m. zaterdag
van 9u30 tot 18u.
De Groene Waterman
Wolstraat 7 - Antwerpen
Tel. 03/232.93.94
 

algemene verkoopsvoorwaarden