Payday Loans

Zoek een boek



Mijn winkelwagen


De Groene Waterman. Een huis voor boeken, cultuur en ontmoeting

 
 22 juni 2017
Er is wél een alternatief. Dit is de te volgen lijn
Verslag boekvoorstelling Frontlijnen van Nick Meynen

Door Sjaak Oostenrijk, stagiair MA Taal- en Letterkunde: Nederlands, UA

20170427_223311“De hedendaagse berichtgeving beperkt zich doorgaans tot de waan van de dag. Het mist het ruimere kader. Het is in dit boek daarom mijn bedoeling om achterliggende samenhang bloot te leggen.” Nick Meynen klinkt direct bevlogen nadat het publiek kennis had genomen van de aanvangende anekdote in Frontlijnen. Een reis langs de achterkant van de wereldeconomie, over twee mannen uit de Indiase jungle die het voor aluminium afgraven van hun heilige heuvels door Britten vergelijken met het slopen van St. Paul’s Cathedral. Het zou inderdaad blijken dat de activistische journalist-auteur veel mondiale, stuk voor stuk linksom of rechtsom verstrengelde achtergrondverhalen uit de doeken doet: ‘verbanden’ noemt hij niet toevallig als sleutelwoord. Meynen, van huis uit geograaf, beschrijft tal van ‘frontlinies’: onderbelichte ecologische en mensenrechtelijke brandhaarden die onderling met allerhande lijnen aan elkaar verbonden zijn. Deze frontlinies worden marionettesk aangestuurd door het Westers-imperialistische politiek-economische systeem zoals dat nu bestaat. Een systeem met implicaties en onrecht waar wij, als Westerlingen, ons niet of nauwelijks van bewust zijn. De titel ‘Frontlijnen’ verwijst dus direct naar de fouten in ons globale samenlevingsmodel, naar hoe verschillende schandelijke situaties met elkaar en met ons verbonden zijn. In zijn analyse van ons neoliberale, imperialistische ‘marktfundamentalistische’ systeem als corrumperend en funest voor de klimaatkwestie sluit hij zich aan bij de Canadese ecologisch-maatschappelijke sterauteur Naomi Klein. De huidige uitingsvorm van het kapitalisme is niet houdbaar en dient op zo’n manier ingekaderd te worden dat ecologische belangen er automatisch in behartigd worden. ‘Ecologisme’ noemt Meynen dit kapitalismealternatief. In zijn broodnodige strijd voor een rechtvaardigere, ook op termijn nog leefbare wereld schrijft hij onder andere voor Kleins site thischangeseverything.org. Zij las daarnaast een vertaalde synopsis van Frontlijnen en concludeerde: “dit boek verdient een breed en internationaal publiek”. “Een publicitair droomscenario,” lacht presentator van dienst en EPO-uitgever Thomas Blommaert. Het citaat staat dan ook prominent op de kaft.

 

In Frontlijnen werkt Meynen vier hoofdlijnen uit. Het eerste deel behandelt ontginning, het tweede afval, gevolgd door deel drie dat economisch-maatschappelijke mythes ontkracht. Het afsluitende segment zet hoopvol uiteen wat we zoal kunnen doen en wat er ter resolutie al reeds geschiedt. Dit laatste deel is optimistisch geschreven en zit vol hoopgevende ideeën en initiatieven. Dit als tegenwicht tegen de ontmoedigende hoeveelheid onconstructieve inhaligheid, immoraliteit en zelfzuchtige meedogenloosheid die in de drie delen ervoor de revue gepasseerd hebben. Meynen is er zelf niet cynisch van geworden en wil ook zijn publiek ervoor behoeden murw geslagen te worden. Toch klinkt er enige ergernis door wanneer hij Thatchers “there is no alternative” (TINA) aanhaalt, gevraagd naar de omslagafbeelding. Alsof het neoliberalisme de enig mogelijke weg is! Het is inderdaad ronduit lugubere absolutistismeretoriek. “Boosheid ligt aan de bron van dit boek,” erkent de idealistische auteur. “Maar liefde voor de natuur en mensen is ook nodig. Empathie en sympathie zijn nodig.” Meynen spreidt een bewonderenswaardige combinatie van strijdvaardigheid en nauwgezetheid tentoon. Hij is fel en scherp zonder stemverheffing. Hij vervolgt door te adviseren Naomi Kleins laatste boek This changes everything vooral niet in de Nederlandse vertaling, No Time, te lezen. Die slaat volgens hem de plank finaal mis door het accent voortdurend te sterk te leggen op de noodzaak van persoonlijke verandering, op individuele verantwoordelijkheid dus. Terwijl Kleins punt juist is dat een algehele systeemverandering absoluut onontbeerlijk is. De neoliberale nadruk op eigen verantwoordelijkheid onttrekt het samenlevingsmodel, en dan vooral de bedrijven en de politiek, ten onrechte aan enige verantwoordelijkheid. Het houdt ‘de consument’ klein, opdat de machtigen hun gang kunnen gaan. Wil de wereld mensenrechtelijk en ecologisch levensvatbaar blijven, dan moet dát veranderen, niet zozeer individuele gewoonten.

121004_Paulussen_Roger_28_V1Meynen vertelt in Frontlijnen, zijn derde boek, een podium te hebben gegeven aan slachtoffers van gewetensarme multinationals wereldwijd. Slachtoffers van mijnbouwbedrijven, of van de opkomst van schaliegaswinning bijvoorbeeld. Net als Meynen zelf voelden deze gedupeerden zowel veel boosheid als angst, om er vervolgens toch in te slagen daar iets constructiefs mee te doen. En weg te blijven van fatalistisch pragmatisme. Als voorbeeld van constructieve strijdvaardigheid -niet direct van een slachtoffer- haalt hij advocaat Roger Cox (foto) aan. Dit is de man die er middels tomeloze inzet in slaagde de klimaatzaak van de duurzaamheidsstichting Urgenda tegen de Nederlandse overheid te winnen. Diens bezieldheid kwam geenszins uit de lucht vallen. Al na Al Gore’s film An inconvenient truth (2006) ondernam Cox actie door een stichting op te richten die deze film in honderden zalen gratis liet vertonen. Het toeval wil dat ik An inconvenient truth destijds via die weg gezien moet hebben. Zo blijkt wat Meynen dus eerder ingezien heeft: wanneer het systeem niet voldoet, zijn we als maatschappij afhankelijk van ‘witte tijgers’, om een Indiaas begrip te gebruiken, als Roger Cox. Nick Meynen is overigens één van de medeaanklagers in het Belgische equivalent van diens klimaatzaak.

Over de eerste lijn in Frontlijnen, ‘Het oogsten van de aarde’, merkt Thomas Blommaert op dat hij bij lezing naast woede ook geregeld verbijstering voelde. Gelukkig ook in luchtige zin, zo blijkt wanneer hij aanhaalt dat Meynen uitgerekend in de woestijn bij Dubai concludeert dat er een wereldwijd zandtekort dreigt. De schrijver legt uit het zand dat nodig is voor zaken als beton, asfalt en glas grofkorrelig moet zijn. Anders bindt het niet afdoende. En woestijnzand is te gladgeërodeerd. Het absurde gevolg is dat de bouwdrift in Dubai het oliestaatje noopt tot de import van Australisch zand. Buurlanden van Singapore, dat eveneens zand invoert, stopten op een gegeven moment zelfs met het leveren ervan, omdat zandafgraving te veel schade berokkende aan hun land. Tweeëntwintig Indonesische eilanden zijn er bijvoorbeeld volledig door verdwenen, wat zelfs tot grensgeschillen heeft geleid. Het gevolg voor Singapore was dat zand er ineens net zo kostbaar werd als olie.

image-20170118-21176-1k9dbpy“De gemakkelijke zandbronnen raken op,” zegt Meynen even ernstig als gedreven. Het probleem beperkt zich dan ook niet tot stadsstaten; zelfs het uitgestrekte China is inmiddels zandimporteur. Sterker nog, zand is momenteel het grootste importproduct van de Oost-Aziatische wereldmacht. Met elke zin die Meynen over dit onderwerp uitspreekt, zwelt mijn verbazing aan. Normaliter ben ik goed op de hoogte van globaal-maatschappelijke actualiteiten, maar heel deze kwestie was nieuw voor me. Dit is dus het soort grote, invloedrijke achtergrondprobleem waar de journalist zijn publiek bewust van wil maken middels Frontlijnen. De strijd om de Zuid-Chinese zee, waarbij China eilanden opspuit om een geloofwaardigere territoriale claim te kunnen maken, blijkt goeddeels te verklaren te zijn door de enorme zandvoorraden die het gebied herbergt. In het nieuws hoor je uitsluitend fossiele brandstoffen en regionale machtsuitbreiding als beweegreden. Zie hier de onontbeerlijkheid van kwalitatieve achtergrondjournalistiek.

“Zand is de meest ontgonnen grondstof op aarde,” vervolgt Meynen. “De toenemende schaarste leidt daarom steeds vaker tot geopolitieke spanningen.” Naast het verdwijnen van land dus. Iets wat ook in België al op de loer ligt: ook hier zijn de nabije voorraden voor de kust reeds uitgeput, waardoor zand van verder uit de kust gewonnen wordt. Dat resulteert in grotere waterdieptes en dus aanzienlijk minder golfbreking. Zeker omdat er hierdoor ook minder zand op stranden belandt, versterkt dit de kusterosie. Helaas groeit het grove zand niet zo snel aan, legt Meynen uit. Niet in de laatste plaats omdat er ook uit rivieren volop zand wordt gewonnen. Nog voordat het überhaupt in zee belandt dus. De auteur doet hierop een politiek appèl: “we verbruiken op het moment twee keer zoveel zand als aangeleverd wordt door rivieren en deze consumptie groeit met vijf procent per jaar. Dit is onhoudbaar. Reguleer de zandwinning dus. Laat het niet aan de vrije markt over.” Om een voorbeeld te geven van nuttige regelgeving haalt Meynen Nederland aan, waar negentig procent van het sloopafval verplicht hergebruikt moet worden. Hij waarschuwt dat de zandschaarste tegen 2050 zo groot kan zijn dat het een reden voor oorlog kan vormen. Als we het op z’n beloop laten dan.

Zonder enige regulering leidt de huidige waarde van deze basale grondstof nu al her en der tot aanzienlijke maatschappelijke problematiek, licht de schrijver toe. In delen van India blijkt bijvoorbeeld een heuse zandmaffia te opereren, die ’s nachts illegaal stranden afgraaft, drie miljard per jaar omzet en waarvan de hoge piefen de politiek in gaan om hun zaakjes te beschermen. Moord op mensen die zich verzetten tegen deze activiteiten schuwen zij niet. In Sri Lanka speelt iets soortgelijks. Door illegale rivierontginning verdwijnt daar van één rivier bijvoorbeeld vijftien meter monding per jaar. De veiligheid van activisten en journalisten is mondiaal overigens in het geding, vult de aangeschoven Zuid-Amerikaexpert Wies Willems (Broederlijk Delen, vzw) aan. Zeker in Zuid- en Midden-Amerika is hun veiligheid de laatste jaren schrikbarend afgenomen. Criminalisering van protest in de wet is in die contreien bepaald niet ongezien, evenals paramilitairen met graafmachines. Met regelmaat worden volledige dorpjes door zulke ontginningsbandieten verjaagd. In Colombia blijkt zelfs tachtig procent van alle goudmijnen illegaal geëxploiteerd te worden. Meynen knikt bezorgd-instemmend en voegt eraan toe: “voorheen werd er één activist per week vermoord, vandaag de dag drie.” De mijnschandes die zich voltrekken in deze regio, zijn dan ook typisch zo’n nagenoeg ongehinderd in de wereldeconomie verweven frontlinie die hij aankaart in Frontlijnen.

9789462670914De tweede hoofdcategorie van frontlinies die Nick Meynen uitwerkt in dit boek, heeft de heldere titel ‘Dumping’. Niet alleen komen onder meer voedsel en grondstoffen in toenemende mate van heinde en verre, wij Westerlingen sturen ook een hoop terug, begint de auteur. Vervuilende, moeilijk uit elkaar te halen zaken vooral. Schepen naar India of Bangladesh, computers naar Ghana. Ons lastige afval gaat naar plekken waar praktisch geen of amper milieu- en gezondheidsnormen zijn. Naar zogenoemde ‘ondervervuilde landen’ waar de bescherming van de bevolking en ecologie in de praktijk ondergeschikt is aan financiële belangen van de elite. Naar plekken waar een dode niet zoveel kost, voegt Meynen hier confronterend aan toe. Het neoliberale imperialistisch-kapitalisme laat veel meer smerige en dikwijls gevaarlijke sporen na dan we hier in België te horen krijgen, impliceert de schrijver. Hij noemt de schrikbarend hoge radioactiviteit in de Gobiwoestijn ten gevolge van de winning van uranium, de grondstof waarmee hier ruim vijftig procent van de elektriciteit wordt opgewekt via kernsplijting. De vrij opzienbarende militaire interventie van Frankrijk in Mali is eenvoudigweg te relateren aan “een gigantische uraniummijn net over de grens in Niger,” vervolgt Meynen ontnuchterend. Dat klinkt bijzonder geloofwaardig, want Frankrijk is voor maar liefst tachtig procent van haar energieproductie afhankelijk van kerncentrales.

Meynen raakt op stoom en steekt een anekdote af over de bedrieglijkheid en absurditeit van de globale handel in emissierechten. Hij vertelt dat hij een Indiase papierfabrikant bezocht die altijd al rijsvliesjes verbrandde om stroom op te wekken, wat als 'biomassa' tegenwoordig curieus genoeg als 'groen' te boek staat. Dit deed de fabriek simpelweg omdat het goedkoper was. Maar het bedrijf trachtte nu miljoenen binnen te harken om hun groene energiebeleid te continueren en er zogezegd van af te zien op netstroom over te stappen. Nu werd deze casus ontmaskerd, maar veel verkochte 'vervuilingsrechten', zoals Meynen het fenomeen kenschetst, staan wel degelijk los van uitstootbeperking. De journalist-schrijver haalt ter illustratie van deze bizarre gang van zaken aan dat België in 2011 'schone Hongaarse lucht uit 1991' heeft aangekocht. Oftewel: vermits Hongarije vlak na de val van de Sovjetunie veertig procent minder industriële activiteit vertoonde, mocht twintig jaar later duizend kilometer westwaarts extra koolstofdioxide uitgestoten worden. Het systeem van emissierechtenhandel is een wassen neus, concludeert Meynen. De afgelopen drie jaar is het mondiale uitstootrecord zelfs driemaal op rij verbroken. Meer dan industriëlen in de derde wereld ietwat spekken, doet het emissierechtensysteem dus niet. “Het is pure zelfbedotting!” voegt Meynen hier nog indringend aan toe.

Terwijl niet alleen broeikasgassen maar ook de luchtkwaliteit op heel veel plekken een nijpend probleem is. Nijpend doch verzwegen. “In Antwerpen leef je bijvoorbeeld drie jaar korter door fijnstof, maar daar hoor je nooit wat over. En elk uur sterft er iemand in België voortijdig als direct vervolg van luchtvervuiling.” Ik had het inderdaad nog nooit zo cru gehoord. Moedwillige onwetendheid, denk ik bij mezelf. Een groot struikelblok in de individualistische massamaatschappij. Verantwoordelijkheid nemen is voor een modern individu doorgaans geen vanzelfsprekende noodzaak meer, maar moet onderhandeld worden. Of er komt zelfopoffering aan te pas. Bijvoorbeeld van mensen als Nick Meynen, die drievijfde van zijn tijd vult als bewustmakende, journalistiek zeer actieve milieu-activist.

78B526DA-97FC-4CB0-A9B9-60559B8E7FEF_previewIn zijn relaas over grootschalige maatschappelijke misstanden schakelt Meynen over op de macrofinanciële realiteit binnen de EU. Europese Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker en Jeroen Dijsselbloem, de voorzitter van het fiscaal en economisch coördinatieorgaan van de EU, de Eurogroep, typeert hij als fiscale piraten omwille van hun opstelling tegenover Griekenland. Terwijl Dijsselbloems vaderland Nederland het derde belastingparadijs ter wereld is en een berucht doorsluisland voor -onterecht legale- ontwijking van belasting, dwingt het noordelijke overwicht binnen de EU Griekenland om buitenlandse mijnbouwbedrijven gelegenheid te geven om haar bodemschatten te delven. Waardevolle grondstoffen die vervolgens dus niet of nauwelijks ten goede komen aan het Griekse volk of aan de solvabiliteit van het land. Maar in plaats daarvan via Nederland, Ierland of Junckers thuisland Luxemburg in privaat bezit eindigen. Griekse rijkdom wordt zo buitenlands grootkapitaal. En het grote geld financiert de financiële sector. Omwille van de liquiditeit van de Noord-Europese banken moet Griekenland dus op een houtje bijten door allerlei zeer onverbiddelijke en pijnlijke bezuinigingsrondes verplicht door te voeren. “Een schande,” verkondigt Meynen.

Ik ben het volkomen met hem eens. Het is een verademing om het iemand zo treffend te horen verwoorden. Ik kan er alleen maar aan toevoegen dat het wrang-ironisch is dat machtige politici, de voornaamste vertegenwoordigers van het volk dus, zo in de greep van de financiële sector zijn. Ze zouden het publiek belang moeten bevorderen, maar stimuleren juist de internationaal gestaag aanzwellende ongelijkheid. Want ook in Noord-West-Europa heeft de financiële sector een parasitaire werking. Bij wie denkt u dat de Belgische en Nederlandse staatsschulden hoofdzakelijk uitstaan? Niet bij Duitsland. Want ook aan de overheden hier dragen grootbedrijven schandalig en immoreel weinig belastingen af door schimmige fiscale constructies die eindigen op de Bahama's of de Kaaimaneilanden. Zie hier waarom Thomas Piketty vermogensongelijkheid als kwintessens van de economische zorgen in het Westen identificeerde: grote aandeelhouders, beleggers en investeerders ontlopen maatschappelijke verantwoordelijkheid op kosten van de overige burgers. Zij worden slapend nog rijker, terwijl overheden moeten bezuinigen.

Alsof dit allemaal nog niet scandaleus genoeg is, wijdt Meynen uit over een goudmijn die een Canadees mijnbouwbedrijf in Griekeland mag gaan uitbaten. Een mijn waarbij de goudwinning onvermijdelijk gepaard gaat met omvangrijke arsenicumvervuiling, waardoor heel de streek waardeloos wordt voor landbouw en toerisme. Bovendien verwoest het de lokale ecosystemen. Als klap op de vuurpijl vervuilt het het drinkwater, wat een dermate kostbare grap is, dat de volledige mijn de regio in kwestie meer kost dan dat er via de overheid uiteindelijk aan baten terug zal komen. Vrijwel anonieme tegenstand aldaar ten spijt: de mijn komt er. Onder dwang van de EU. “Griekenland is geen democratie meer, het is een protectoraat van Europa geworden, dat gebukt gaat onder fiscale chantage,” concludeert Meynen zelfs. Het is inmiddels zover dat activisten er steeds vaker opgepakt worden en onder het mom van 'terrorisme' achter slot en grendel verdwijnen. Ook zijn er verslagen van politiegeweld jegens activisten en werd een opstandig dorp door grofweg honderd agenten 'aangevallen' en van de buitenwereld afgesloten, vertelt de auteur. Dictatoriale repressietaferelen binnen de Europese Unie dus. Bizar. Wies Willems laat weten het te herkennen van Zuid-Amerika.

biggest-container-ship-evolution-1In het kader van 'Moderne mythes', zoals het derde deel van Frontlijnen heet, deelt Meynen nog meer onbevattelijke verhalen met de lezer, stelt Thomas Blommaert. De onrechtvaardigheid en absurditeit druipt er dikwijls vanaf. “Dit is waarschijnlijk het belangrijkste deel van het boek,” zegt Meynen. “Het ontzenuwt mythes waar onze beleidsmakers in geloven.” Hierop leert hij het publiek dat het aantal miljoenen zeecontainers die in België aankomen in een eeuw tijd vertienvoudigd is. In dezelfde tijd is de bevolking met nog geen factor anderhalf gegroeid. Meynen ziet in overconsumptie dan ook een significant gevaar. Onder andere omdat veel producten de hele wereld over verscheept worden, terwijl de kosten van dat vervoer kunstmatig laag gehouden worden. De vervuiling van het transport wordt geenszins verrekend in de prijs van de vervoerde producten. En de vervuilendheid van containerschepen blijkt moeilijk te onderschatten: “de zestien grootste schepen stoten net zoveel CO2 uit als alle auto's op Aarde.” Ondanks dit werkelijk verbijsterende gegeven wordt de bunkerolie steevast buiten klimaatafspraken gehouden, voegt Meynen hieraan toe. Over hoe systeemverandering belangrijker is dan verandering van individueel gedrag gesproken... “Handel op zich is natuurlijk niet slecht,” gaat de activist-schrijver verder, “maar er is veel te veel inefficiëntie.” Hij noemt oesters uit San Fransisco voor Fransen als voorbeeld van 'een erg misbaar soort globalisme'.

De eerste mythe die Meynen ontkracht in Frontlijnen is dan ook: 'hoe meer handel, hoe beter'. In werkelijkheid ligt het handelsmetabolisme van de wereld merkwaardig hoog, stelt hij, alvorens te pleiten voor meer protectionisme. Want op kleinere schaal, binnen een enigszins afgeschermde markt en mét een overkoepelende overheid, is meer efficiëntie gauwer ook direct economisch wenselijk voor handelaars en bovenal veel makkelijker te realiseren. Daarenboven is de eerlijkheid van de handel veel beter te garanderen. Protectionisme buiten een rechtspopulistisch, nationalistisch plaatje was nieuw voor me, maar ik snapte Meynens logica erachter. Zelf denk ik doorgaans aan de noodzaak van een puur op economie toegespitste wereldregering als oplossing voor de ontachting van het publiek belang binnen het multinationale kapitalisme, dat momenteel door verplaatsing steeds doeltreffend regulering weet te ontlopen. Maar schaalvergroting minder toelaten is inderdaad ook een zinnig tegengif hiertegen. En daar pleit Meynen in feite voor.

 

Tegen het einde van de boekpresentatie haalt Meynen Gandhi's misschien wel meest vermaarde uitspraak aan ter ondersteuning van zijn pleidooi: 'er is genoeg voor iedereen, alleen niet voor ieders hebzucht'. Daaropvolgend vertelt hij hoe Adam Smith, de geestelijk vader van het liberalisme, geloofde dat het kapitalisme een fase was. Een groeistadium dat we konden afsluiten wanneer we genoeg rijkdom vergaard hadden. Wanneer we een duurzaam, bestendig systeem konden instellen. Iets wat we tot op heden uit schraapzucht dus vertikt hebben te doen. De laatste decennia zijn we zelfs alleen maar verder van zo'n economisch-maatschappelijke berusting, van zo'n uitkristalliserende harmonisering afgedwaald, durf ik hier gerust aan toe te voegen. Het neoliberalisme, waartegen Meynen dus fel ageert, is weinig anders dan een intensivering van het 'groeimiddel' kapitalisme. Kapitalisme aan de anabolen. Meer vrije marktwerking, meer innovatie, meer handel, minder gedeeld gedragen verantwoordelijkheid in de vorm van een kleinere overheid die minder belasting kan innen. Aangezien de eerste drie delen van Frontlijnen een behoorlijk desillusionerende en ontmoedigende uitwerking kunnen hebben op de lezer, heeft Nick Meynen in het vierde en laatste segment zoals gezegd uitgepakt met een overzicht van hoopgevende (mogelijke) oplossingen en voorbeelden van initiatieven en maatregelen die deze uitwegen in de praktijk brengen. De titel van deel vier is dan ook simpelweg 'Hoop'. Want dat is Meynen geenszins verloren. Hij weet dat het anders moet, maar ook dat dat mogelijk is. Het bewustmaken van burgers is daarin een belangrijk element, en dat doet hij met Frontlijnen buitengewoon probaat. Uit kennis zal uiteindelijk een houdbaar, evenwichtig en eerlijk nieuw systeem voortkomen. Of daar nu een nieuwe -veel ingrijpendere- economische krach voor nodig zal zijn of niet: het zal er komen. Een systeem van verbondenheid, volgend op het treffend blootleggen van de perversiteit en gecorrumpeerdheid van veel van de hedendaagse verbindingen in de mondiale samenleving. Frontlijnen verlicht en slaat in als een bom. Het is een knallende flits die niet gemist mag worden. 'Dit boek verdient een breed en internationaal publiek'? Dat is nog vrij bescheiden.

 

Bestel uw exemplaar van Frontlijnen hier!

Dit evenement werd georganiseerd in samenwerking met Uitgeverij EPO, ontwikkelingssamenwerkingsorganisatie Broederlijk Delen en burgerinitiatief Hart Boven Hard.




 
Openingsuren
van maandag t.e.m. zaterdag
van 9u30 tot 18u.
De Groene Waterman
Wolstraat 7 - Antwerpen
Tel. 03/232.93.94
 

algemene verkoopsvoorwaarden